IV. Cantate vier staat in het teken van het feest van de besnijdenis en de naamgeving van Christus. Dat blijkt mede uit de toonsoort in dit deel: F-dur, die staat voor een rustige, kalme, wellevende gemoedsstemming. Deze heerst bij Maria, Jozef, het Heilig Kind Jezus, de christenen. Het is een andersoortige toonsoort als de voorgaande delen, wat wijst op de nieuwe tijd die nu aanbreekt. In dit deel, dat het hart van het Weihnachtoratorium vormt, laat Bach in de centrale aria ‘Flösst, mein Heiland, flösst dein Namen’ de muziek nog een toonsoort hoger stijgen. Daar zingt Maria (zij is een beeld voor de Kerk) tot Christus en Christus antwoordt. Deze aria staat in C-dur, waarmee van oudsher uitgedrukt wordt dat alles helemaal rein, onschuldig, eenvoudig is, een heilige naïviteit, ontvankelijkheid als van een kind.
In dit deel van de besnijdenis en naamgeving maakt Bach gebruik van hoorns waarmee Christus met een diepe ontroering gehuldigd wordt.
Kerst 2016
Jan-Willem Scheurwater
Jannet Scheurwater
Jannet Scheurwater
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.